Undang-Undang Sultan Adam (Versi Bahasa Belanda)


SERIE L.
B OR N E O

No. 18

OENDANG OENDANG SOELTAN ADAM (1835)

Van list in 1881 door A.M. Joekes reeds gepubliceede vorsieuedist van Sultan Adam van Bandjarmasin ontring demmissie voor het adatroelit een dear het gewestelijk bestuur gezonden afschrift. Hieronder volgt de teksi, doeh vargezeld van de vertaling van Joekes, dians aanteekeningen, en diens toeliahting, alie te vinden in Indische Gids 1881, II, bls. 119 – 186. De volgondo van de genoemde gegevens is hierender zoo ingericht als voor de gebruikers liet geriefelijkst sehijnt te zullen zijn. De spelling van liet Maleisch is in over eenstemming gobracht met de officieel gevolgde spelling-Van Opliuijsea; ontzien, — De noten zijn van de commissie voor het adatreclit.

I. Tekst en vertaling van het adiet

In het jaar 1251 op Deaderdag den vijftienden dag van de maandal’ anoharam, ‘s morgens te negen ure, heb ik Sultam Adam deze verordening uitgegeven voor al mijne onderdanen opdat hun godsdienst en opdat tussehen hen niet veelvuldige geschillen mogen bestaan – zoomede dat het den reehter gemakkelijk moge worden recht over hen te spreken.
Ik hoop zeer dat al hunne verhondingen door deze mjne verordening geregeld (goed) mogen worden.
Deze verordening bevat de volgende artikelen.

ARTIKEL 1
Ik gelast aan al minjne onderdanen: mannen en vrowen, on het oude orthodoxe geloof (dat der sonnieten) te emhelzen, dat daar niemand zij, die een kettersh geloog aanhange.
En aan elkeen die mocht hooren van menschen die eenig ander geloof dan het orthodoxe aankleven gelas ik om daarven aan den rechter kennis to geven en deze zal de zaak pnderzoeken.
Indien werkeljik hun geloof verkerd is dan gelast ik den rechter hen te bekeeren en to onderrichten in het ware geloof en indien zij weigeren zich te bekeeren dau moet de rechter mij daarvn kenis geven.

ARTIKEL 2
Aau al de notabelen in de kampongs gelast ik om langara (bidkapelleu) 1 op te richten opdat door hen, met allen over wie zij gerag hebben, op de daarvoor vastgestelde uren het gemeeuschappelijk gebed 2 worde verricht en ik gelast hen om allen over wie zij gerzag hebben te geliden naar de gemeenschappelijke gebeden en iederen Vrijdag naar het Vrijdagche gebed en indien er zijn die weigeren (daarheen te gaan) zoo geve meu mij daarvan kennis).
ARTIKEL 3
Ik gelast allen notabelen in de kampongs om allen over wie zij eenig geraz hebben te vermanen en tot onderling overleg te brengen vooral tusschen nabestaanden opdat er niet veelvuldige twisten en veten ontstaan mogen

ARTIKEL 4
Wanneer iemand voor den rechter 3 wil trouwen, dan moet hij door ten minste twee van de het meest ter goeder naam en faam bekend staande personen uit de kampong naar den rechter worden vergezerld, en indien dat niet geschidt dan zal het huwelijk niet worden gesloten.

ARTIKEL 5
Ik sta niet toe, dat iemand huwe met eene vrouw van eene andere secte dan die vau syafii, en wanneer een man desalniettemin zeer verlangt eene dergelijke vrouw te trouwen dan geve men mij daarvan eerst kennis.

——————
1. Gebouwtjes voor de dagelijksche godienstoefeningen of sembahjangs.
2. Godsdienstoefening, sembahjang.
3. Zou hakim hier soms de ruime beteekenis van Moham-madaansch godsdienstambtenaar hobben? Zie, voor de huwelijksluiters op Zuid-Boerneo, Adat-rechtbundel XII, blz. 309 – 311.

ARTIKEL 6
Indien eene vrouw van haren man wescht te worden geschciden, dan zal de rechter, onderzoek doen naar de redenen, die de vrouw er toe breugen en unij daarvan berichten.
ARTIKEL 7.
Ik sta niet toe, dat mufti advies verleence aan personeu, die eeu geding aanhaugig willen maken, of aan hen wier zaak in behandeling is – en ook wil ik niet, slechts de rechter vraagt zijn (des muftis) advies.

ARTIKEL 8.
Ik veroorloof niet, dat de mufti advies verleene aau iemand die tot hem mocht komen, zeggende door mij gezonden te zijn om advies te vragen, zoo die persoon niet in het bezit is van een van mijn zegel voorzien bewijs.

ARTIKEL 9.
Wie in een rechtsgeding is betrokken mag zich uiet ophouden te midden der vorstelijke personen, der mantries, der kampong shoofden of wel van de volgelingen der hoofden.

ARTIKEL 10.
Wanneer de rechter beide partijen – de eisch eu de verwering – de getuigen en de gedingeu en de gedingeu zal hebben onderzocht, dan bevel ik dat hij uitspraak zal doen na overleg met den chalipah en deu toean loerah.

ARTIKEL 11.
Wanneer het vounis is opgemaakt – brenge men men et eerst aan mijnen jougereu broeder apdat deze er mijn zegel op drukke.

ARTIKEL 12.
Indien iemand een geding verliest, doch weigert zich naar de uitspraak te voegen – zoo gevemen het vonnis aan mijnen jougereu broeder, opdat deze daaraan kracht bijzette.

ARTIKEL 13.
Gij allen : bilals en qaums 1 indien de rechter u oproept (last geeft) oin over rechtszakeu te spreken, dan moogt gij niet weigerachtig (nalatig) zijn – want dat is ook mijn bevel (dienst).

ARTIKEL 14.
Wil men eene zaak bij den rechter aaugangig maken dan wil ik niet dat die zaak in behandeling worde genomen wanneer er niet een geschreven eisch en een gescgreven verweerchrift zijn overgelegd.

ARTIKEL 15.
Indien de eischer een geschreven eisch bij den rechter indient, dan moet dat stuk worden ter hand gesteld aan den verweerder, en indien deze nalatig blijft om binnen vijtien dagen zijn verweerschrfit aan te bieden, zoo gelast ik den rechter tegen hem verstck te verleenen.

ARTIKEL 16.
Zaken van voor mijnen tijd (voor den aanvang mijner regeering), mogen niet meer in behandeling worden genomen, maar zaken gedurende mijn tijd (de tijd mijner regering) voorgekomen mogen wel weer in behendeling worde genomen om door den rechter te worden gerectificard indien duidelijk is gebleken dat er een fout is began.

ARTIKEL 17.
Indien iemand akkers of tuinen of andere soorten van eigendom bezit, die hij verpanden wil – die hij heft verkocht of die hij wil verkoopen – die hij heft verhuurd of die hij wil verhuren – die hij voor de helft van het proukt tijdelijk aan een ander heft afgestaan 3 of die hij Aldus wil afstaan – die hij heft nitgeleend of die hij wil uitleenen, zoo wil ik dat hij voor die handelingen bij den rechter kome, opdat deze getuige zij van de haudeling. Den rechter bevel ik, om daarvau een nota op te maken en wel twee exemplaren : een exemplar voor den rechter en een exemplar voor den eigenaar. Verder wil ik dat de rechter een groot bock aanlegge voor al die nota’s opdat zij door de elkander opvolgende rechters worden opbewaard ; en wanneer men zijn eigendom wil inlossen dan moet men evenzoo bij den rechter komen die de twee mota’s zal vernietigen. De eignaar en de andere partj betalen elk vijt duiteu aan den rechter.

ARTIKEL 18.
Wanneer echte lieden in anmin leveu, hetzij tengevolge van een woordentwist of van tes anders, dan wil ik niet at de man de vrouw vasthoude (opsluite) maar ik gelast dat zij zich spoedig zullen verzoenen en den rechter zoomede beider naastbestaanden gelast ik hen over de zaak te onderhouden en hen te verzoe-nen en te onderzoeken in hoeverre beiden schuld hebben en indieu zij weigerachtig blijven de beslissing of de hadat te volgen en indien de vrouw niettegnstaande de beste pogingeu om haar tot verzoening te bewegen dan geve men mij daarvan bericht.

ARTIKEL 19.
Ik sta niet toe dat men schuldvorderingen overdrage aan personen van vorstelijken bloede, aan hoofden, zoo dat niet geschiedt op grond van een schriftrlijk bewijs van den rechter. tiada soerat hakim.

ARTIKEL 20.
Ik gelast at overall de notabellen der kmpongs nauwlettend zullen uitzien naar het opkomen der maan bij het begin van de maand Ramadhan en bij het begin van de maand Hadjie en bij het begin van de maand Moeloed.
Wie de maan ziet, geve daarvan ten spoedigste kennis aan den rechter opdat deze mij daarvan spoeding berichte en aan alle bewoon bij oorden, die gij afvarende voorbij zult komen, zult gij de tijding overbrengen.

ARTIKEL 21.
Indien er twist outstaan is tusschen de in woners eener kampong dan moeten de notabelen de zaak bespreken en in overleg met de oudsten der kampong den twist bijleggen ; en indien het geschil niet door samenspreking kan worden beeindigd dan brenge men het voor dea rechter.

ARTIKEL 22.
Ik wil niet dat iemand, die betrokken is in eene zaak welke reeds door den rechter is beslist, zijn toevlucht zoeke bij wien dan ook, en ik wil niet dat iemand – wie hij ook zij – zoodanigen reeds door den rechter gevonnisden zal beklagen (ophitsen) en wie dit mijn bevel overtreedt en toch zijn toevlucht zoekt – bij wien dan ook – dien zal ik straffen.

ARTIKEL 23.
Indien door iemand een stuk bouwgrond of een tuin of iets anders lang geleden is verkocht geworden, om het even of het verkochte nog in handen is van den eersten kooper of door dezen reeds weder aan anderen is verkocht geworden – en wanner dan de nabestaanden van den verkooper daarop aanspraak maken, bewerende dat het verkochte behoort tot eenen nog zij voor een deel recht hebben – en indien dan ook zelfs de verkooper instemt met hen die zich op den gemeenschappelijken eigendom beroepen – dan mogen toch noch de verkooper noch zij die nanspraak hadden op een deel van den beodel een eisch bij den rechter ter zake instellen en (zoo zij dat al doen) mogen de rechters de zake niet entameeren in het geval de verkoop twintig jaren of langer geleden plaats vond voordat men de bedoelde aanspraak deed gelden en indien beidn leefden en ter plaatse aanwezig waren in den genoemden tijd gedurende welken het verkochte in handen was van de kooper – want dan is de zaak al te oud.

ARTIKEL 24.
Gij allen, rechters ! indien meueisch en verweerschrift aan u indient, dan zult gij aanteekening houden van den datum wanneer men eisch en verweershrift indient, en dan zult gij alle de getuigen opvragen die partijen wenschen dat gehoord zullen worden, doch zij mogen slechts eenmal getuigen bijbrengen, en moeten zich binnen den tijd van eeue maand bezinnen wie zij als getuigen willen doen hooren – en indien dan allen die voor den rechter zijn verschenen hebben uitgesproken, dan zult gij de zaak bealissen en zoo men dan nog andere getuigen bijbrengt dan die vroeger zijn opgegeven dan zijn die niet meer outvankelijk.

ARTIKEL 25.
Indien iemand een jong meisje huwt en hij beschuldigt haar later geen maagd te zijn geweest – dan zal, zoo hij er zich over uitlaat dat dat zijne vrouw een verborgen gebrek had – mij daarvan worden kennis gegeven, want dan beschuldigt hij zouder dat er getuigenis kan worden bijgebracht.

ARTIKEL 26.
Is een stuk bouwgroud of een tuin tien jaren of lauger geleden verkocht of verdeeld door deu stamvader of door den rechter, mits die verdeeling zeker en van algemeene bekendheid zij, te meer nog wanueer getuigen bestaan voor de bloedverwantschap (van de bedeelden) of ook al is er cen fout begaan (in de verdeeling of verkoop) dan mogen de kinderen en kleinkinderen noch de nabestaanden de zaak niet meer bij den rechter aanhaugig maken indien de verkooper of de kooper, de verdeeler of de bedcelde sints is overleden.

ARTIKEL 27.
De winuende partij mag geen huur eischen voor den hem toegewezen over den tijd dat die in bezit was van den succmbant.

ARTIKEL 28.
Wil iemaud land bebouwen in het gebied van Alabioe of yang Negara of elders dan mogen de inwoners van Alabio, van Negara of van die audere streek dat niet beletten en niet als hun grond zich toekenneu wat niet bewerkt of bebouwd is en zij mogen (de bebouwers) ook niet verontrusten.

ARTIKEL 29.
Is een vlakte omstreeks twee jaren of lauger door de bebouwers verlaten en weer tot haren oorspronkelijken staat teruggekeerd en zijn er geen teekenen van eigendomsrecht meer aanwezig zooals : aanplantingen, dijken, gegraven kanalen, die den groud bebouwbaar maken, en wordt die grond dan door anderen bewerkt en in bezit genomen dan wil ik niet groud terug verlangen of bij den rechter terug eischen.

ARTIKEL 30.
Wanueer iemand onder zware verdeuking ligt van overspel te hebben gepleegd doch hij of zij bekent niet, dan geve men mij daarvan kennis.

ARTIKEL 31.
Ik veroorloof niet dat de loerah’s en de mantrie’s van oeloe Soengei en elders zich mengen en hinderlijk zijn in die zaken, die zijn opgedragen aan de rechters, de chalipah’s en de tocan loerah’s.
Evenzoo wil ik niet, dat de rechters en de chalipah’s en de toean loerah’s zich mengen en hinderlijk zijn in die zaken, die zijn opegdra-gen aan de lelawangan’s loerah’s en mantrie’s.

Aan de rechters is opgedragen de berechting van alle geschillen tusschen mijne onderdanen.
En aan de lelawangan’s, de loerah’s en de mantrie’s zijn overgelaten alle bevelen aan mijne onderdanen voor zoover betreft de diensten ten mijnen behoeve, de zaken het land betreffende en dergelijken.

Ik gelast dat de rechters met de lelawangan’s, loerah’s en mantrie’s zullen samen werken en in gemeenschappelijk overleg handelen.
Indien er personen zijn die weerspanning worden bevonden en die zich niet storen aan het oordeel van God den Allerhoogsten uitgesproken door den rechter, dan gelast ik allen lelawangan’s en loerah’s en mantrie’s am dat vonnis met kracht te doen ten uitvoer leggen.

Als iemand bv, tot een lelawangan zegt: ik ben genegen mij te verbinden om twee realen en eeu kwartje te betalen telkenmale wanneer de tijd voor de inning van de nadsr en de baqtin zal zijn gekomen – en dadelijk daarop wordt hij tot betaling gemaand dan is het geld voor die betaling gebezigd niet wettig want de gelofte was niet geldig en onvolkomen omdat er nog niets was dat verbindend was en de betaling plichtmatig doet zijn, ook dan zelfs indien de voorwaarden (van de vervulling waarvan de betaling stilzwijgend afhankelijk word gesteld) bereikt mochten worden nl. dat men geen kampongs en heerendienst had behoeven te verrichten en zijn eigendommen ongemoeid waren gelaten.

Een geldige gelofte en waarbij de betaling wettig wordt, is het wanneer men zegt: indien ik geen kampongs- en geen heerendiensten behoef te verichten en mijn eigendommen niet worden gemolesteerd, dan doe ik de golofte om elk jaar twee realen en een kwartje op te brengen; en indien dan die drie voorwaarden worden vervuld, dan is het plichtmatig om te betalen twee realen en een kwartje, maar indien geen enkele van die drie voorwaarden in vervulling komt dan is de betaling niet plichtmatig en onwettig.

Dat geen van hen die met de inning van de de nads zijn belast handele tegen de leering van Hadjie Djamal’oedin; indien er toch zijn die daartegen handelen dan zal ik hen straffen en indien anderen zich daaraan schuldig maken en gij zijt niet in staat om dat tegen te gaan geef er mij dan ten spoegste kennis van.

(Uit)

Iklan

Tinggalkan Balasan

Isikan data di bawah atau klik salah satu ikon untuk log in:

Logo WordPress.com

You are commenting using your WordPress.com account. Logout / Ubah )

Gambar Twitter

You are commenting using your Twitter account. Logout / Ubah )

Foto Facebook

You are commenting using your Facebook account. Logout / Ubah )

Foto Google+

You are commenting using your Google+ account. Logout / Ubah )

Connecting to %s